Het is 31 juli 2000. Voorzichtig tijger ik naar de voor mij zittende vogels op de rand van de klif. Mijn hand gaat naar voren met daarin een lange metalen vangdraad, behoedzaam om de poot, een kort rukje en weer is een vogel gevangen. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan (mag!). Het is nu eenmaal zo, overgeleverd aan de adrenaline. In het millenniumjaar zouden Nel en ik iets speciaals gaan doen en het werd een lang gekoesterde wens: IJsland. Met de eigen auto op de boot vanuit Denemarken en met een driedaagse stop op de Faeröer, wat op zich al een belevenis is. En nu bevinden we ons in IJsland op letterlijk het meest westelijke puntje van Europa. Latrabjarg is een klif van 14 kilometer lang en het hoogste punt ligt 400 meter boven de zee. Van hier uit is het nog geen 300 km. naar Groenland. Het is de grootste vogelklif in de Noord-Atlantische oceaan en aangenomen wordt dat hier s’werelds grootste kolonie Alken broedt. De meest algemene soorten zijn: Alk, Papegaaiduiker, Drieteenmeeuw, Zeekoet, Dikbekzeekoet en Noorse stormvogel.