Wijfjes (koninginnen) van L. gredleri lokken mannetjes met een bepaald feromoon. In een experimentele omgeving copuleerden zowel wijfjes als mannetjes met soms wel 4 partners, ofschoon in de helft van de gevallen met slechts één. Er werd noch door de wijfjes, noch door de mannetjes zonder meer met de eerste partner die ze tegenkwamen gepaard. Het was niet mogelijk morfologische verschillen aan te geven tussen de geslachtsdieren die slechts één keer paarden en de dieren die het met meerdere partners deden. De mannetjes waren niet in een agressieve competitie verwikkeld om toegang tot de wijfjes te krijgen. Vreemd genoeg bleken werksters die afkomstig waren van een koningin, die meerdere malen gepaard had, toch allen genetisch van hetzelfde mannetje af te stammen. Het lijkt erop dat koninginnen slechts zaadcellen van één enkele partner gebruiken om hun eitjes te bevruchten. Studies per populatie gaven aan dat er een groot genetisch verschil is per populatie. Dit wijst op paringen in de directe omgeving van het nest, zowel van wijfjes, als van mannetjes. Genen uitwisseling blijft sterk beperkt, zelfs tussen populaties in bosranden en houtwallen, die slechts door een paar meter grasland van elkaar zijn gescheiden.