Tijdens een excursie in de Krimpenerwaard op 19 september 1994 vonden we nog diverse halfwas Atalantarupsen. Omdat deze rupsen gezien de late tijd van het jaar waarschijnlijk geen overlevingskans hadden, nam Ik ongeveer 10 rupsen mee naar huis. Hoewel de meeste rupsen geparasiteerd bleken te zijn, gingen er toch drie verpoppen. Ik wilde proberen de vlinders te laten overwinteren. De kans dat dit zou lukken achtte ik minimaal. Op respectievelijk 24, 25 en 30 oktober kwamen de vlinders uit. Ik zal ze respectievelijk no. 1, 2 en 3 noemen. No. 3 was misvormd omdat hij bij het ontpoppen naar beneden viel en geen plek vond om z’n vleugels te strekken. Ik zette de vlinders in een kooltje met aan twee kanten horregaas en zette het voor het raam in een onverwarmde maar vorstvrije kamer op het zuid-oosten. Als voedsel kregen ze suikerwater (10% oplossing) en peer. Al snel bleek dat ze aan peer de voorkeur gaven.